Jeugd en opleiding

Bij AVOC worden de jeugdspelers ingedeeld in opleidingsniveau’s. Deze niveaus houden in de eerste plaats rekening met de motorische, technische en tactische vaardigheden van het kind, maar ook, weliswaar in mindere mate, met de leeftijdskenmerken (leeftijd is indicatief maar niet bindend). Deze indeling is noodzakelijk omdat niet elk kind op dezelfde leeftijd met de opleiding begint en het ene kind sneller evolueert naar een hoger niveau dan het andere.
We onderscheiden de volgende niveaus:

Niveau 1: de volleybalschool (vanaf het tweede leerjaar)
Steeds meer verenigingen besteden de laatste jaren een stijgende aandacht aan deze leeftijdsgroepen. De clubs worden verplicht steeds jonger te rekruteren. Vroeger kon men in sportclubs onmiddellijk specifiek te werk gaan. De basis van de motoriek was reeds gelegd al spelend op straten en pleintjes. De dag van vandaag kan dit jammer genoeg niet meer. De huidige jongeren die zich aansluiten bij een sportclub zijn meestal niet voorbereid om de moeilijke technieken onder de knie te krijgen. De kinderen moeten in deze fase de meest elementaire bewegingsvormen aangeboden krijgen. Het kind moet onder andere:

  •     Het eigen lichaam leren kennen
  •     Leren reageren op visuele en auditieve signalen
  •     De kennis links - rechts ontwikkelen
  •     Bilateraal trainen: alle oefeningen worden zowel links als rechts uitgevoerd
  •     Het leren werpen en vangen van ballen
  •     Leren balcurves inschatten
  •     Allerhande balvaardigheidoefeningen uitvoeren

Met behulp van hoepels, kegels, ballen, elastieken en allerhande ander klein materieel worden deze vaardigheden ontwikkeld.

Niveau 2: de volleybalstart (vierde tot zesde leerjaar)
In deze leeftijdscategorie leren de kinderen snel motorische vaardigheden. De kinderen zijn bovendien zeer geïnteresseerd om nieuwe dingen aan te leren. Er wordt in deze fase zeer veel aandacht besteed aan het bovenhands spelen van de bal. Door het werpen en vangen van ballen, in plaats van onmiddellijk te toetsen, is er een betere beheersing van de uit te voeren oefening. Tevens kan men hierdoor het spel vertragen, waardoor het kind meer tijd krijgt een juiste positie aan te nemen ten opzichte van de balbaan. Er worden oefenvormen aangeboden waarbij het kind rekening moet houden met meerdere elementen: twee ballen, bal en hoepel, verschillende soorten signalen en ga zo maar door. Verplaatsingen en voetenwerk krijgen in deze fase bijzondere aandacht. De aangeboden oefenstof bestaat uit:

  •     Balvaardigheids-oefeningen
  •     Via werpen en vangen, over botsten en controlepas tot bovenhandse toets
  •     De bal spelen onder verschillende hoeken
  •     Verplaatsen met links en rechts indraaien
  •     Aanleren van verschillende werpbewegingen
  •     De onderhandse opslag
  •     Verschillende verplaatsingstechnieken in blok en verdediging
  •     Leren voorwaarts, zijwaarts en achterwaarts rollen
  •     Een met een en een tegen een spelvormen

Het spreekt vanzelf dat dezelfde oefenstof kan uitgevoerd worden met toetsen, of een tussenvorm indien het individueel kind daar klaar voor is.

Niveau 3: de techniekaanlering (zesde leerjaar en eerste middelbaar)
In deze fase van de opleiding maken de kinderen voor de eerste maal kennis met de zes basisonderdelen van het volleybal: opslag, receptie, set-up, aanval, blok en verdediging. Al deze onderdelen worden aangeleerd volgens het 'voor - tijdens - na'-principe. Dit wil zeggen dat niet enkel de actie op zich (het spelen van de bal) belangrijk is, maar ook aan de voorafgaande beweging (de verplaatsing naar de bal) en de beweging die volgt na de eigenlijke actie (de verdediging of de dekking) wordt de nodige aandacht besteed.
Een juiste techniekaanlering is zeer belangrijk. Er wordt dan ook veel aandacht besteed aan de juiste houding van het ganse lichaam. Wat in deze fase verkeerd aangeleerd wordt zal later immers moeilijk nog gecorrigeerd kunnen worden. Een greep uit de oefenstof:

  •     Overgang van bovenhandse pas naar set-up, met aandacht voor precisie na voorwaartse, zijwaartse en ingedraaide verplaatsing
  •     Aanval vooral de 2 laatste passen en slagbeweging met polsslag
  •     Verwerken van meer specifieke signalen
  •     Indraaien naar positie 2 en positie 4
  •     Van 1-met-1 en 1-tegen-1 naar 4-met-4 en 4-tegen-4 in spelvormen

Niveau 4: de techniekvervolmaking (tweede tot vierde middelbaar)
De basisonderdelen waarmee we in het vorige niveau kennis maakten worden in deze fase verder uitgediept. Vanaf nu spelen we – in de competitie - voor het eerst zes tegen zes op een terrein van negen bij negen. Dit betekent daarom niet dat er altijd getraind wordt in zestallen. Hoegenaamd niet zelfs: de meeste vaardigheden en situaties die zich voordoen bij zes-tegen-zes kan je trainen in drietallen/viertallen. Belangrijk daarbij is trouw te blijven aan het principe dat de spelers zoveel mogelijk balcontacten moeten hebben. We maken voor het eerst kennis met enkele verschillen op het vlak van de reglementen en hun gevolgen voor het tactische concept. We leren twee belangrijke begrippen: complex1: receptie - aanval en complex 2: blok - verdediging - tegenaanval. Meer specifiek wordt er getraind op:

  •     Set-up over een grotere afstand, zowel voorwaarts als achterwaarts
  •     Veel trainen op receptie met gemakkelijke opslagen en dit om zowel de balbaan als de verplaatsingstechnieken te trainen
  •     Ontwikkelen van de slagrichting waarbij kracht komt na precisie
  •     Float-opslag
  •     Langere blokverplaatsingen
  •     Verschillende verplaatsingstechnieken zowel in verdediging als in blok
  •     Penetratie vanop positie 1
  •     Lage verdedigingshouding
  •     Verdedigen van de aanval zowel in de straat, in de diagonaal, als tipballen

Niveau 5: de vervolmaking (vanaf het vijfde middelbaar)
Geleidelijkaan evolueert de opleiding naar een kennismaking met de verschillende functies binnen het volleybalspel: hoekspeler, middenspeler, libero, spelverdeler. De bedoeling blijft hier evenwel om alle spelers te vormen in alle functies en niet nu al een specialisatie door te voeren. De verleiding is namelijk groot om een 15-jarige van 1m85 te specialiseren als middenman, gezien hij wellicht de grootste speler op het veld is. We zouden hier immers bij kunnen vergeten dat deze speler misschien al volgroeid is en met die lengte in het volwassen volleybal met die bescheiden gestalte niet de ideale middenman is. Hetzelfde lot ondergaat de 15-jarige van 1.60m die men specialiseert als spelverdeler en die op zijn 18 jaar misschien 1m90 is geworden, maar al 3 jaar geen enkele receptie- en aanvalstraining heeft gekregen. Wat de opleiding van de spelverdeler betreft geldt, uitgaand van het basisprincipe ‘iedereen leert alles’ de volgende progressie:

  •     Penetratie van op pos. 1
  •     Penetratie van op pos. 6
  •     Penetratie van op pos. 5
  •     2 spelverdelers spelen 4 / 2 aan de pas (elke set / match andere spelers)
  •     gelijkaardige opbouw voor 1 spelverdeler 5 / 1
  •     tegelijk met de ontwikkeling van de spelverdeler die in zes rotaties pas geeft begint de ontwikkeling van de 3-meter aanvaller (pos 1).