Jeugd en ontplooing

Hoe ziet nu de structuur binnen AVOC er uit om het de speler mogelijk te maken zich te ontplooien zoals vermeld in 'Jeugd en opleiding'?

Basisregel 1: de individuele noden van de speler primeren op de ploegnoden.
Voorbeeld: een C-jeugdspeler (niveau 4) is de sterkhouder van zijn ploeg. Wil hij verder kunnen ontwikkelen dan moet hij de kans krijgen te spelen met een sterkere ploeg tegen sterkere tegenstanders. Dit betekent dat hij - en dit kan zelfs binnen eenzelfde seizoen - overgaat naar de B-jeugd, ook al betekent het dat de C-jeugd nu misschien meer wedstrijden zal verliezen. Los daarvan is het gebruikelijk dat hij in de loop van een seizoen bijkomend gaat meetrainen met een hoger niveau.

Basisregel 2: de volleyballeeftijd primeert op de kalenderleeftijd.
Voorbeeld: een 12-jarige heeft er al vijf jaar volleybal opzitten. Qua leeftijd hoort hij in de D-jeugd thuis, maar in de praktijk wordt hij ingedeeld bij de C-jeugd, waar hij traint met oudere spelers, maar die wel zijn volleybalniveau hebben. We waken er in deze situatie echter wel over dat de kleine speler niet heel zijn 'carrière' omhoog moet smashen daar hij speelt op een net dat te hoog is voor zijn leeftijd. De oplossing die hier gehanteerd wordt is dat de speler in kwestie mee traint met de C-jeugd, maar prioritair speelt bij de D-jeugd. Indien het voor die speler mogelijk is qua tijdsinvestering, kan het dat hij soms met beide ploegen meespeelt.

Basisregel 3: het samenhouden van een groep is ondergeschikt aan het doorgroeien van de individuele speler.
Wanneer je trouw wil blijven aan basisregel 1 en 2, kan je onmogelijk spreken van een 'generatie' E-jeugd spelertjes die bij elkaar zullen blijven tot in de A-jeugd. Elk seizoen wordt de individuele speler geëvalueerd en ingedeeld bij die groep waarvan we denken dat die speler het meest kan bijleren. Soms zal een speler in de loop van een seizoen spelen en trainen bij bijvoorbeeld de D-jeugd, maar extra meetrainen met de C-jeugd.

Basisregel 4: het groepsengagement blijft belangrijk, maar loopt steeds over één seizoen.
Dit betekent concreet dat elke trainer in de loop van het seizoen met zijn spelers een echte groep zal vormen, waar samen plezier maken en elkaar respecteren de sleutelwoorden vormen, zelfs al weet iedereen dat de groep het volgende seizoen deels kan gewijzigd worden.

Wat betekent dit voor de organisatie van de ploegen.
De opleiding zoals ze hierboven geschetst wordt is maar mogelijk indien er een continuïteit voorzien is in het ploegenaanbod. Dit betekent dat de club er moet voor zorgen elk seizoen alle niveaus in de jeugdcompetitie in te richten, gaande van E-jeugd tot en met B-jeugd of A-jeugd.
De opleiding kan nog eens extra geoptimaliseerd worden naarmate we - vooral bij D-jeugd en/of bij C-jeugd - twee (of meer) ploegen kunnen inrichten.
Bij voorkeur wordt er een jeugdploeg ingeschreven in een lage seniorenreeks. In deze reeks kunnen zij immers wedstrijden tegen volwassen ploegen spelen, waardoor de spelers verder kunnen ontplooien. Een bijkomend voordeel is dat er ook een reservewedstrijd gespeeld wordt, waardoor elke speler zijn aanbod heeft van wekelijkse spelgelegenheid. Promoveren kan voor deze groep op zich nooit een doel zijn, daar er elke twee jaar een nieuwe lichting zestienjarigen in deze groep terecht komt. De praktijk wijst uit dat een cyclus van twee jaar voor die groep optimaal is. Een eerste jaar schoorvoetend, met veel vallen en opstaan weerwerk bieden aan het krachtigere seniorenvolleybal, om dan het tweede jaar een top vier plaats binnen deze afdeling te mogen ambiëren.

De vorige vaststelling noopt ons tot de volgende besluitvorming: gezien de seniorenploegen geëvolueerd zijn tot vervolmaking van de jeugdploegen moeten zij dus ook als dusdanig behandeld worden. Concreet: ook in de seniorenploegen moet elke speler op een voor hem optimaal niveau kunnen spelen en trainen. Daaruit volgt dat een B/A-jeugdspeler die klaar is om door te stromen naar een seniorenploeg niet moet wachten tot een speler van die ploeg 'met pensioen gaat'. Bijgevolg betekent dit dat het 'wij blijven met z'n allen vijf jaar samen'-gevoel ondergeschikt is aan het doorgroeien van nieuwe spelers. Dit moet echter niet leiden tot een 'duiventil sfeer'. Ook in de seniorenreeksen kunnen groepsdoelen gesteld worden over minstens twee jaar, zodat men kan bouwen aan een (h)echte groepssfeer binnen de ploeg, zij het niet 'voor het leven'. Ook in de seniorenreeksen kunnen spelers pendelen tussen verschillende ploegen: bijkomend trainen bij een andere ploeg, reserve wedstrijd spelen bij de ene ploeg en hoofdwedstrijd bij een andere ploeg, ...